Goodmorning Benevolence

Ik hoopte dat mijn angst voor mensen in de loop der jaren af zou nemen, maar ik werd ook bang voor dieren. Bij honden was ik altijd al op mijn hoede, maar nu vreesde ik ook katten, parkieten, konijnen, cavia’s, geiten, enzovoort. Mijn hand ging uit naar vacht of veren maar bleef steken halverwege, in de lucht. Ik probeerde soms eerst met mijn stem vertrouwen te winnen. Het vertrouwen van het dier, mijn vertrouwen, ik weet het niet. Maar ik geloofde mezelf niet als ik zei: ‘hé beestje, alles goed?’ of ‘rustig maar’. In het kleine theaterstuk dat ik opvoerde, besefte ik telkens: Ik kan niemand, inclusief mezelf, ook niet een dier, ergens van overtuigen. Ik kan het dier niet aaien.

Angst voor iets is misschien terug te voeren op een gebeurtenis in het verleden. Voordat we naar zuidelijk Afrika verhuisden, kwam er een man bij mijn ouders op bezoek. Hij had een tijdje gewerkt in het land waar wij naartoe gingen. Hij vertelde dat het een mooi land was, met een vriendelijke bevolking. Een nadeel vond hij dat er veel honden waren, die agressief konden zijn. Als ze achter je aan liepen, kon je het beste stenen naar ze gooien, dat deed iedereen. Mijn vader had de diaprojector en het scherm klaargezet en mijn moeder dimde het licht. Het plaatje van ons gezin voor een hut met een rieten dak, vulde ik aan met magere wilde honden. Ik droeg een tasje aan mijn riem om stenen in te bewaren, net als David.

We kregen zelf een hond. Als ik naar school ging, liep hij vaak een stukje mee. Soms deed hij dat stiekem. Dan zat ik al in de klas als ik hem over het veld voor de school zag zwerven. Ik vroeg toestemming om de hond naar huis te brengen en ging naar buiten. Ga weg, riep ik, ga naar huis. Dan pakte ik een steen van de grond en deed alsof ik gooide. Hij bleef staan en keek me vragend aan. Soms deinsde hij terug, als ik goed mijn best deed. Soms gooide ik echt. Als het nodig was, rende ik het hele stuk achter hem aan naar huis, om hem aan de ketting te leggen.
Sommige van mijn vaders collega’s in het ziekenhuis woonden al jaren in Afrika en wilden niet meer terug. Een arts uit België had zelf een huis gebouwd, een traditionele Afrikaanse hut maar dan met elektriciteit en stromend warm water, waar hij middels zonnepanelen zelf in voorzag. Rond zijn huis stond een hek waarbinnen drie grote honden liepen. Ze blaften en sprongen tegen het hek op als we de auto parkeerden. Een van de honden had een donkere gestreepte vacht, als een roofdier. Omdat wij, zoals elke westerling, naast een bediende ook een waakhond nodig hadden, mochten we deze hebben.
Regelmatig vergezelde Boris ons op onze sluiproute naar een ander Nederlands gezin dat een eindje verderop woonde. De route begon aan het einde van onze tuin, tussen het prikkeldraad door, over een open veld, en dan een smal paadje in dat langs de achtertuinen liep van een aantal huizen. Boris haalde steeds op dezelfde plek zijn kop open aan het prikkeldraad. Tevreden zat hij in het gras te hijgen terwijl we om en om op de schommel gingen of over de compostkuil sprongen. Tussen zijn donkere vacht stak een klein stukje roze omhoog, een wondje dat niet goed kon helen.
Als we weggingen, lieten we hem los lopen. Dan kon hij alles goed bewaken. Op de terugweg, als we in de buurt van ons huis kwamen, zaten wij op de punt van de achterbank. Meestal kwam hij ons al tegemoet rennen voor de laatste bocht. Zijn oren lagen plat tegen zijn kop. Vervolgens rende hij voor de auto uit om iedereen van de weg te jagen, kinderen die aan het spelen waren en vrouwen die breiend over straat liepen.
Nadat we voorgoed vertrokken, hield de nieuwe eigenaar hem aan een ketting, waardoor hij doodgeknuppeld kon worden.

Ik heb veel gereisd maar niet altijd uit vrije wil. Ik ging mee op vakantie naar Frankrijk en Spanje, ik emigreerde mee naar Afrika en weer terug. Als je twintig jaar later in datzelfde Afrikaanse land op een berg naar het uitzicht zit te kijken, ben je vaak genoeg heen en weer geweest om te denken dat je iets begrijpt van wat niet in jezelf zit maar in de wereld. Het had voor mijn gevoel te maken met het idee van een centrum. Toen we net terug waren uit Afrika, kon ik fietsen maar had ik geen ervaring met druk verkeer. Ik fietste vanuit onze nieuwbouwwijk naar de stad, naar het centrum. Ik wist niet wat voorsorteren was en moest soms mijn toevlucht zoeken op de stoep of op een vluchtheuvel. In de stad liep ik gespannen rond. Het was me gelukt, maar ik moest ook nog terug naar huis.
Als je hoger de bergen in gaat wordt het stiller, de begroeiing wordt schaarser, maar er zijn nog steeds dorpen, er wonen mensen. In de verte, op de berghelling aan de andere kant van de rivier die maar twee maanden per jaar een beetje water bevat, stijgt een stofwolk op. Hij verplaatst zich heel langzaam. Een jongen die Engels spreekt vertelt me dat daar een paardenrace wordt gehouden. Hij neemt me mee naar zijn huis, want hij wil me iets wil laten zien. Op een tafeltje in het midden van de hut staat een typmachine.

Mijn moeder en God zijn lange tijd dezelfde geweest. Daarom heb ik het gesprek met hen op een gegeven moment stopgezet. Nu zeg ik soms een gebed en probeer ik hen los van elkaar te zien. Maar het blijft lastig. Zij weet wat goed is en wat niet. Ze staat voor anderen klaar. Ze zucht over het lot van de wereld. Ze weet meer dan ik weet. En wat ze zegt is in lijn met een wereldbeeld waarin liefde noodlottig kan zijn en lijden echt bestaat, en niet zomaar dingen zijn waarnaar je kunt verlangen.
Ik ben niet zo. Dat weet ik als ik haar bel en in tranen uitbarst halverwege het gesprek, om iets dat ik niet wilde vertellen. Ik doe alsof ik me laat troosten, ik ben een zorgenkind

Ik kreeg een bijbel mee en een teil met wat borden en bestek, en huurde een kamer in de provinciestad waar ik ging studeren. Daarna leefde ik uit mijn koffer omdat ik in het westen geen vaste woonruimte kon vinden. Ik kan een lange lijst maken van de adressen waar ik verbleef, met welke huisgenoten. Roger maakte een bloemstuk voor me maar nam het me kwalijk dat ik geen oog had voor de symboliek die hij erin verwerkt had. De magere Abdul glipte altijd zijn kamer binnen en hield zijn deur zoveel mogelijk gesloten. Als je aanklopte, stond hij je te woord door een kier. Peter zag ik ook zelden, hij kwam nooit uit zijn kamer en kookte niet. Toen ik op een dag thuiskwam, zat hij op het balkon een biertje te drinken. Hij vertelde me dat hij vier maanden in de gevangenis had gezeten. Martha meldde me alles wat ze die dag ging doen, en na afloop wat ze die dag gedaan had. Rina hield me op de hoogte van het naderende einde van de wereld, en eindigde altijd met de opmerking dat er veel dingen waren die ik beter niet kon weten. Mark de homoseksueel nam allerlei onbegrijpelijke maatregelen in huis vanuit het oogpunt van hygiëne.
Uiteindelijk kwam ik terecht in een kamer in een heel groot huis. Ik was de enige huurder. De rest van de kamers stonden leeg en waren afgesloten. Op mijn zolderkamer brandde elke avond licht.
De tijd ging zo snel, ik denk nu dat het kwam doordat ik nergens even rustig kon gaan zitten, nergens even rustig na kon denken. Mijn huisbaas zei regelmatig dat ik weg moest omdat hij de huur van het pand wilde opzeggen. Toch stelde hij dit telkens uit. Hij haalde zijn post op de meest ongebruikelijke momenten. Bijvoorbeeld toen ik op een benauwde zomeravond in mijn ondergoed achter mijn bureau zat. De huur werd steeds hoger wegens allerlei oplopende kosten, waar we beleefd over spraken alsof het om iets redelijks ging. Ik kreeg een diepe afkeer van hem, zijn stem aan de telefoon, zijn vriendelijke opmerkingen, zijn naam op het bordje bij de voordeur.
In de loop van de tijd had ik steeds meer van mijn bezittingen weggedaan. Mijn elektrische piano gaf ik weg, en ik deed mijn platencollectie, de boeken die ik gelezen had, de dingen die in de vensterbank stonden, zelfs wat ik cadeau had gekregen, in de wasmand. Deze bracht ik achterop de fiets naar de kringloop. Ik legde mijn matras op de grond en zette mijn bed, evenals mijn schemerlamp en mijn extra stoel aan de straat. Als ik mijn hoofd schuin hield kon ik door het smalle raam onder het dak net de straat zien. Al snel stonden mijn spullen er niet meer.
Ook mijn kleding beperkte ik tot het meest noodzakelijke, waardoor ik soms het gevoel kreeg dat ik een uniform droeg.
Af en toe was er een jongen in mijn leven. Een enkele keer bleef er ook iemand slapen. De een wilde samen douchen, de andere niet.

Ik droomde ervan dierenverzorger te worden bij Artis, maar ik vond een baan bij de afdeling PR. Regelmatig wandelde ik door de dierentuin en zag hoe mannen en vrouwen in overals en laarzen door de verblijfplaatsen van de dieren liepen. Hardhandig duwden ze de beesten opzij totdat ze de emmers met groenten of vlees helemaal geleegd hadden op de voederplaats. Ze hielden de blazende emu met een bezem op afstand als ze haar eieren gingen inspecteren. Ze jaagden de giraffen uit hun nachtverblijf, zodat ze daar konden schoonmaken.
Elbo werkte bij de afdeling Tentoonstellingen van Artis en ik had daardoor af en toe met hem te maken. Soms liepen we samen door de dierentuin naar de tentoonstellingsruimte, of maakten we een wandeling in de pauze. Een keer liep ik met hem langs de roofvogels. In de roofvogelvolière woonde ook een tamme kraai. Hij verbleef daar vrijwillig. Omdat hij kleiner was dan de gieren kon hij door het gaas naar binnen en naar buiten vliegen. Elbo zat op zijn hurken en probeerde met zijn vinger de kraai te aaien die aan de andere kant van het gaas op de grond zat. Hij zei: de kraai wil geaaid worden en tegelijkertijd bijten.

Mijn moeder wilde eerst geen hulp in huis. Maar vanaf onze aankomst bleven er dagelijks vrouwen uit de omgeving bij ons aankloppen om te vragen naar werk. Als mijn moeder de deur weer gesloten had, namen ze plaats op het droge gras en bleven uren lang in onze tuin zitten. Dit hield pas op toen we op advies van onze Amerikaanse buren toch iemand aannamen. Ze wisten nog wel een betrouwbare vrouw, iemand die zij om onduidelijke redenen hadden ontslagen, zo bleek later. Ze heette Benevolence. Dat was haar Engelse naam. De mensen daar gaven hun kinderen meestal ook een Engelse naam, vaak een woord uit de psalmen, zoals Hope, Gift, Justice of Faith. Hun Sotho naam gebruikten ze niet bij blanken, hoewel die in het geval van Benevolence juist eenvoudiger was.
’s Ochtends als we nog aan tafel zaten te ontbijten, hoorde ik hoe mijn moeder haar buiten begroette. Good morning Benevolence. Good morning madam. Ze droeg een roze-wit geblokte jurk voor huishoudsters en bijna altijd een donkerblauwe baret. Om haar heupen had ze een deken geslagen. De dingen die ze meenam, zaten in witte plastic zakjes met gaten die ze over elkaar deed. Ze legde haar spullen tegen de muur en liet de gootsteen buiten vol lopen om de was te doen.
Op maandagmorgen hadden we weekopening. We stonden buiten in de brandende zon, de lagere klassen vooraan en de hogere achteraan. Ik stond in het midden. Tegen de tijd dat we bij het volkslied kwamen, viel ik wel eens flauw. Dan mocht ik naar huis en hield ik Benevolence gezelschap tijdens haar werk.
Ze was bang voor onze hond, en voor honden van blanke mensen in het algemeen. Die waren er doorgaans op getraind om ongewenste bezoekers, vooral zwarte mensen, aan te vallen. Ze negeerde de hond zoveel mogelijk en schreeuwde ‘foetsek’ als hij toch te dicht in haar buurt kwam. Ik zei tegen haar, maar Benevolence, hij is niet eng, hij is juist heel lief, kijk maar! Ik aaide hem en legde mijn gezicht tegen zijn hals, waarop ze met haar tong klakte.
Tussen de middag kookte ze maïspap voor zichzelf, precies zo dik dat je het met je handen kon eten. Terwijl wij binnen aan tafel gingen, zat zij buiten tegen de muur op de grond. Mijn moeder had daar moeite mee, maar mijn vader bleef herhalen dat Benevolence het niet anders wilde, en dat je het haar moeilijk zou maken als je haar aan tafel uitnodigde.
Als ze naar huis ging, gaf mijn moeder haar vaak iets mee, wat eten of een paar kaarsen, wat garen. Ze ontving alles met twee handen die ze sloot, waarbij ze een lichte buiging maakte, voordat het in haar plastic tasjes verdween.
Mijn vader riep de traditionele groet, die ze beantwoordde terwijl ze lachte, een lage luide lach die altijd weer als een verrassing kwam. Met haar deken om haar schouders liep ze de oprijlaan af, op weg naar haar dorp dat een paar kilometer verderop tegen de bergen lag.

 

Fragment uit Goodmorning Benevolence, verhaal.

<<